De IJsvorstin | De IIsfoarstin

© Bob Bronshoff

Regisseur en artistiek leider van het Friese theatergezelschap 'Tryater' Ira Judkovskaja besloot een opera te willen regisseren die gespeeld moest worden op locaties verspreid door het centrum van Leeuwarden. Ze koos het sprookje 'De Sneeuwkoningin' van Hans Cristian Andersen. Mij vroeg ze om het 'libretto' te schrijven, want zo heet een toneelstuk met liedteksten die de basis vormt van een opera.

Gerda en Kay zijn twee kinderen die - hoe kan het ook anders - wonen in het centrum van Leeuwarden en zeer op elkaar gesteld zijn. Op een nacht wordt Kay ontvoerd door de schitterende, maar ijskoude, sneeuwkoningin. Gerda moet haar dierbare vriendje gaan zoeken.

Première 13 mei 2014

regie Ira Judkovskaja libretto Peter van de Witte spel Albert Bonnema, Janneke Schaareman, Wiebke Göetjes, Brecht Wassenaar, Lourens van den Akker, Arnold Dijkstra, Henk Zwart, Eva Meijering, Elizabeth Kooy muziek Peter Sijbenga vormgeving Jan Ros kostuums Linda Eijssen  dirigent Tjalling Wijnstra Hekwerk Theaterproducties producent Tryater


(het ROVERSMEISJE smijt GERDA op de grond)

ROVERSMEISJE
En nu ben jij mijn vriendin en gaan we spelen!

GERDA
(verward) Wat?

ROVERSMEISJE
En als je dat niet wilt, of als het niet gaat naar mijn zin dan krijg je dit mes in je buik.

(het ROVERSMEISJE drukt de punt tegen GERDA’s neus en duwt deze de lucht in)

ROVERSMEISJE
Ik zal je laten voelen wat een bloedneus is, een echte bloedneus. Wil je dat? Zal ik je dat laten zien? Laten voelen? (komt dichterbij het gezicht van GERDA) Ik hoor je hart kloppen. Je bent bang. Ik voel dat je bang bent. Dat is heel goed. Ik hoor jouw hart, hoor je het mijne?

(we horen wederom de hartslagen van GERDA en het ROVERSMEISJE)

GERDA
Waarom doe je dit allemaal?

ROVERSMEISJE
Waarom? Omdat je me hebt beledigd!

GERDA
Beledigd? Hoe dan?

ROVERSMEISJE
Wil je het nog een keer horen? Door zomaar door MIJN bos te lopen. Tussen MIJN woudreuzen door. Zomaar! Zonder angst! Maar niemand loopt onbezorgd door mijn bos, niemand! Want ik boezem angst in. Vrees. Vrees! Hoor je?

(opeens snijdt het ROVERSMEISJE de touwen waarmee GERDA is omwikkeld kapot. Ze springt schreeuwend in een aanvallende houding en heft haar zwaard hoog in de lucht. GERDA, vrij om te bewegen, blijft kalm voor het ROVERSMEISJE staan)

ROVERSMEISJE
(verbaasd) Probeer je niet te vluchten?

GERDA
Nee. Waarom zou ik vluchten? We zijn toch vriendinnen? Dat heb je net zelf gezegd.

ROVERSMEISJE
(loopt energiek heen en weer, beeldt uit) Hè, jammer. Ik had een paar mooie aanvallen in gedachten! Eerst in je rug bij je milt. Daarna zou je hulpeloos op je knieën zijn gezakt. Dan had ik twee kleine sneetjes in je keel gezet. Dan was je langzaam doodgebloed.

GERDA
Dat vind ik niet zo aardig.

ROVERSMEISJE
(slaat woest met zwaard in de grond) Dan had je maar niet moeten weglopen!

GERDA
Ik ben ook niet weggelopen.

ROVERSMEISJE
Natuurlijk niet. We zijn toch vriendinnen? 
(loopt opeens een andere kant op) Kom, ik wil je aan iemand voorstellen.

(aan een boom ligt, vastgebonden aan een stevige ketting, een RENDIER)

ROVERSMEISJE
Kijk! Dit is mijn oude rendier.

(plotseling haalt het ROVERSMEISJE uit. Ze slaat met haar zwaard de ketting van het RENDIER los. Wilde HERFSTMUZIEK)

ROVERSMEISJE
Ha ha ha ha ha ha ha!

RENDIER
Genade!

ROVERSMEISJE
Zeg maar hallo tegen Gerda!

RENDIER
Genade!

(het ROVERSMEISJE buldert van het lachen. Ze omhelst het RENDIER)

ROVERSMEISJE
Van jou hou ik zoveel, zo ontzettend veel. En nu Gerda hier is worden we een hele familie samen. Ik hou van jullie allemaal. (als het RENDIER worstelt in de omhelzing) Sta stil! Stil staan zeg ik! (prikt de punt van haar mes in zijn keel, streelt hem) Dat prikt, hè? Lieve Bé? Maar het moet pijn doen. Liefde die geen pijn doet is geen liefde.

(het ROVERSMEISJE zet het RENDIER weer vast aan de boom. Als GERDA gaat zitten op een steen draait het ROVERSMEISJE zich wild om en heft haar zwaard)

ROVERSMEISJE
Waar dacht jij heen te gaan?

GERDA
Ik ging even zitten. Ik heb best een eind gelopen.

ROVERSMEISJE
Je wilde vluchten!

GERDA
Echt niet. Ik ging alleen maar even zitten.

ROVERSMEISJE
Jij bent op zoek naar die Kay van je. Jij bent vluchtgevaarlijk.

(het ROVERSMEISJE pakt GERDA op. Trekt haar dicht tegen zich aan)

ROVERSMEISJE
Ik kan jou niet laten lopen. Jij mag niet weg. (ze kust GERDA op de
mond)
Ik hou al teveel van je. Mijn hart is groot. Dat zei ik toch?

(het ROVERSMEISJE draait GERDA’s arm op de rug en slaat dan een grote ketting aan haar been met een loden bal eraan. Dan geeft ze GERDA en het RENDIER een kus op het voorhoofd en rent ze lachend het bos in. GERDA vouwt een hoekje van een deken en giet er water op uit het heupflesje. Ze begint het RENDIER schoon te vegen)

RENDIER
Dus jouw vriendje is zoek, hè? En die is in het Winterpaleis?

GERDA
Ja. Weet jij waar dat is?

RENDIER Het winterpaleis. In het hoge, hoge Noorden. Ja, ik weet waar dat is; ik ben er geboren. 

RENDIER
Sommigen zijn voorbestemd
Om te rennen en te rennen
Over de uitgestrekte toendra
Onder de middernachtzon
Om te rennen en te rennen
Over het vale groene mos
Over het taaie gele gras
De lage struiken met de kleine rode bessen
Over de permafrost
Door de poolnacht

En dan staan ze stil en kijken
Naar het dampen van hun adem
Naar het dampen van hun vacht
En dan horen ze het fluiten van de poolwind
En dan horen ze het bonzen van hun hart

Anderen zijn voorbestemd
Om te liggen en te wachten
Zonder toekomst of verleden
Onder een krakende boom
Om te liggen en te wachten
In de grauwe herfstregen
In een onopvallend veld
Een kaalgevreten stukje grond omheind met paaltjes
Door iemand vastgemaakt
Aan een ketting

En soms staan ze op en kijken
Naar hun nutteloze hoeven
Naar de gaten in hun vacht
En dan voelen ze het branden van de tranen
En dan voelen ze het breken van hun hart